Ontwikkelingswerk is religieus

Alle subsidies voor seksuele gezondheid en rechten zijn naar seculiere ontwikkelingsorganisaties gegaan. Een gemiste kans, vindt Henk Jochemsen. Hij nam het initiatief voor een lijvig boek over christelijke ontwikkelingshulp, dat vandaag verschijnt.

Wageningen

Henk Jochemsen (66) nam in november 2017 na een kleine negen jaar afscheid als directeur van Prisma, een vereniging van christelijke ontwikkelingsorganisaties. In deze periode zag hij het subsidiebeleid van de overheid veranderen, doordat de verdeling anders werd georganiseerd. Terwijl Prisma in haar beginjaren nog miljoenen mocht verdelen onder haar leden, is die geldstroom nu opgedroogd. Organisaties kunnen nog wel zelfstandig subsidies aanvragen. ‘Toch is dat niet altijd de moeite waard’, denkt Jochemsen. ‘Het kost veel moeite en tijd, terwijl die gesubsidieerde projecten voor met name de diaconale en zendingsorganisaties niet het belangrijkst zijn. Zij kunnen zich beter richten op waar ze goed in zijn en die subsidie laten lopen.’
Door de veranderingen in de ontwikkelingssamenwerking kwam bij Prisma meer nadruk te liggen op bezinning en uitwisseling van kennis tussen christelijke organisaties, zegt Jochemsen. Ruim twee jaar geleden begon hij daarom een project met de Prisma-leden, dat resulteerde in het boek Als de tak wil bloeien . Het boek is grotendeels geschreven door mensen vanuit de praktijk en behandelt diverse thema’s: van noodhulp tot landbouw tot een christelijke visie op seksuele gezondheid en rechten. In het boek stelt Jochemsen dat alle ontwikkelingswerk op een bepaalde manier een religieus karakter draagt. ‘Ieder mens heeft fundamentele overtuigingen die bepalend zijn voor hun keuzes. In die zin is iedereen religieus’, legt hij uit. ‘Ik benadruk dit, omdat nog vaak wordt gesproken vanuit een zinloze tegenstelling tussen neutrale en religieuze ontwikkelingsorganisaties. Het is heel makkelijk om te zeggen dat je “gewoon neutraal bent”. Maar niemand is dat.’

Als elke organisatie in zekere zin religieus is, wat is dan de toegevoegde waarde van organisaties die zich als christelijk profileren?

‘Door de geestelijke verwantschap met christenen in ontwikkelingslanden kunnen zij daar meer bereiken. Ze hebben meer oog voor de rol van religie en er is herkenning. Uit onderzoek blijkt ook dat religieuze ontwikkelingsorganisaties goed de haarvaten van de samenleving bereiken. Ze werken vaak samen met kerken en niet met lokale hulporganisaties. Die laatsten behoren lang niet altijd tot de basis van de samenleving in die landen. Overheden en instituties in het ontwikkelingswerk gaan vaak uit van een modernistische, liberale ideologie. Een van de grote bijdragen van christelijke organisaties is dat ze daarvoor een alternatief aanreiken.’

scheefgroei

Wat houdt dat alternatief van christelijke organisaties in praktijk in?

‘Overheden concentreren zich bijvoorbeeld sterk op de markt en wederzijds voordeel. De nieuwste nota van minister Sigrid Kaag borduurt voort op die lijn. Ontwikkelingshulp moet voor beiden goed zijn. Natuurlijk is het mooi als je op lange termijn eerlijke handel krijgt tussen landen. Maar als je direct voor de belangen van Nederland opkomt, groeit het al snel scheef. Wil je structurele verandering teweegbrengen, dan moet je dat van onderaf laten groeien. Dat vereist een lange adem. Het moet ook samengaan met een verandering in het hele systeem, met name in de landbouw. Anders kun je technisch vooruitgang boeken, maar gaat de opbrengst vooral naar de retail en wordt de boer afgescheept met een klein deel. De machten in het voedingssysteem zijn enorm. Als je het vanuit een christelijke visie benadert, kan het de ene mens uiteindelijk niet goed gaan als dat ten koste gaat van een ander. Wij kunnen onze welvaart niet blijven bouwen op kosten van anderen – ethisch niet, maar ook sociaal-economisch niet. Wat op korte termijn effect geeft, is op lange termijn niet altijd het beste. Op theoretisch niveau wordt er weliswaar hard geknabbeld aan het liberale denken, maar in de praktijk zijn die krachten nog sterk.’

Christelijke ontwikkelingsorganisaties zijn in de praktijk soms terughoudend met het inbrengen van geloof in hun werk, zeker als ze afhankelijk zijn van overheidssubsidies. Zijn ze daar te bang voor?

‘De overheid wil niet dat ze ontwikkelingsgeld inzetten om het geloof te verspreiden. En dat moet je ook niet willen. Als je met geld komt, vereist dat voorzichtigheid. Anders zeggen mensen al snel wat een donor wil horen. In Europa hebben we veel ervaring met scheiding van kerk en staat en zien wij dit misschien wel helderder. In Afrika leven ze veel geïntegreerder en snappen ze dat niet goed. Daarom moeten christelijke organisaties dit goed bespreken met hun partners. Het leidende doel van ontwikkelingssamenwerking is niet het verspreiden van het geloof – al kan dat een gevolg zijn – maar om samen te werken in ontwikkeling.’

Wordt daarom in het boek ook de vinger gelegd bij het feit dat religie juist tot buitensluiting kan leiden?

‘Ja, er kunnen ook negatieve effecten optreden. Er zijn bijvoorbeeld kerken die zo antihomo zijn dat ze geweld goedkeuren. Daar hebben christelijke organisaties zich tegen verzet. Of de man-vrouwverhoudingen worden volledig scheefgetrokken. Maar niet alleen religies lopen dit soort risico, iedere ideologie kan mensen of groepen uitsluiten met opvattingen die je niet bevallen.’

open dialoog

Nergens is de polarisatie tussen de liberale en religieuze agenda zo groot als bij het werk rond seksuele gezondheid, stelt het boek. Hoe kunnen christelijke hulporganisaties helpen die kloof te overbruggen?

‘Dat hebben we geprobeerd. ICCO, Kerk in Actie en Prisma hebben met ambtenaren gesproken over hoe je in dit veld rekening houdt met religie. Wij pleiten voor een open dialoog, waarbij je fundamentele mensenrechten bespreekt zonder mensen te vertellen hoe ze moeten denken. Die organisaties hebben ook ontmoetingen georganiseerd tussen kerkelijke leiders en homo’s om voor hen veilige plekken te creëren.’

Toch krijgt geen enkele christelijke organisatie op dit moment subsidie voor dit soort ontwikkelingswerk. Hoe komt dat?

‘Alle subsidies voor seksuele gezondheid en voortplanting zijn inderdaad naar seculiere organisaties gegaan. Zij zijn erin gespecialiseerd en schrijven daardoor de beste teksten bij de aanvraag. Toch vind ik dat een gemiste kans. Het helpt de dialoog over seksuele gezondheid en rechten als de hulporganisaties voeling hebben met de religieuze gemeenschappen.’

In het ontwikkelingswerk worden de allerarmsten nog slecht bereikt. Ook religieuze organisaties slagen hier niet goed in, blijkt uit het boek. Zijn zij toch nog niet genoeg doorgedrongen in de samenleving?

‘Het gaat om een groep mensen die niet zichtbaar is in het publieke leven. Denk aan weduwen, psychiatrische patiënten of gehandicapten. Wereldwijd gaat het om zo’n 300 miljoen mensen. Onder meer Woord en Daad, ICCO en Prisma hebben hiernaar onderzoek laten doen. Het zijn mensen die ook in hun eigen gemeenschap buiten de boot vallen. Al zit je dan goed in de lokale samenleving, dan ben je nog niet bij deze groep. Je moet ze opzoeken. Een aantal christelijke organisaties investeert daar nu in.’

Kun je deze groep structurele hulp bieden?

‘Daar heb je lokale instituties voor nodig, zoals kerken. Daarom staat in het boek een hoofdstuk over de inclusieve kerk, met oog voor gehandicapten.
Het gaat hier echt om de onderkant van de samenleving. In het ontwikkelingswerk is er steeds meer nadruk gekomen op zelfredzaamheid. Terecht, want je helpt mensen niet structureel als je hen afhankelijk maakt. Maar de meest kwetsbare groep zal nooit zelfredzaam worden. Voor hen zijn permanente hulpstructuren nodig. Het is nu eenmaal geen optie om een paar procent van de bevolking maar te laten creperen. Hier wreekt zich ook een potentieel perverse prikkel in het ontwikkelingswerk. Je moet in evaluaties resultaten kunnen laten zien van je werk. Hoe kwetsbaarder de groep, hoe moeilijker het is dat effect te zien. Ik denk dat twee lijnen naast elkaar moeten bestaan: aan de ene kant de bevolking helpen zelfstandig te worden, maar tegelijk bevorderen dat permanente hulp geboden kan worden aan de meest kwetsbaren. Christelijke organisaties kunnen dit heel goed uitleggen aan de achterban die hen financiert.’ <

christelijke filosofie
Henk Jochemsen was behalve directeur van Prisma bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Wageningen Universiteit. Hij volgde daar in 2008 Egbert Schuurman op. Vandaag spreekt hij zijn afscheidsrede uit in Wageningen. Daarbij wordt ook een bundel over ontwikkelingshulp in christelijk perspectief onder zijn redactie gepresenteerd. Over de toekomstige invulling van de leerstoel in Wageningen is nog niets bekend. Haaije Feenstra, oud-directeur van het dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Nederland, volgde Jochemsen in januari op als directeur van Prisma.

Nederlands Dagblad, 21 juni 2018