Opinie Nederlands Dagblad: Schakel bij hulp in Afrika zoveel mogelijk lokale mensen en organisaties in

Overal in Afrika heerst desillusie over het werk en nut van hulporganisaties, zo beschreef Annegina Randewijk haar ervaringen op het continent. De sector is zich daar zeer van bewust.

In haar buitenlandanalyse schreef Annegina Randewijk dat ontwikkelingssamenwerking in Afrika niet goed aansluit bij de noden van de inwoners (Nederlands Dagblad, 30 april). Dat zou veel ‘witte olifanten’ hebben opgeleverd: goedbedoelde projecten die de lokale bevolking onder de streep niets opleveren. Wij zijn blij met haar betrokkenheid bij de mensen van dit continent en het werk van hulporganisaties. Het inspireert tot nadenken over de beste manier van werken als (christelijke) hulporganisaties en zet dit op scherp. In de analyse lijkt het echter alsof de mismatch tussen vraag en aanbod zo groot is dat ‘overal in Afrika desillusie heerst over het nut van hulporganisaties’. Deze stellingname herkennen wij, beiden werkzaam in de sector van ontwikkelingssamenwerking, niet.

Uit verschillende studies blijkt dat ontwikkelingshulp niet zaligmakend is. Het is niet altijd makkelijk vraag en aanbod perfect op elkaar te laten aansluiten. Dat er in sommige gevallen sprake is van ‘witte olifanten’, wordt breed onderkend. Toch zijn door de jaren heen zeer waardevolle resultaten geboekt, die concreet verschil hebben gemaakt in de levens van vele miljoenen mensen. Zo berekende de Wereldbank in 2018 dat over de afgelopen vijfentwintig jaar meer dan een miljard mensen uit de armoede zijn geraakt. Zonder de cruciale inzet van noodhulp en ontwikkelingssamenwerking was dit aantal lager geweest. Daarnaast helpt het concrete resultaten van projecten te bekijken. Zo laat extern onderzoek zien dat het Red een Kind-project ‘dorpen met daadkracht’ leidt tot een 31 procent hoger inkomen per huishouden, 20 procent stijging van de oogst per hectare en maar liefst 560 procent stijging in het inkomen van jongeren.

lokalisatie

Deze cijfers nemen niet weg dat de analyse van Randewijk een terecht punt aansnijdt. Er zijn voorbeelden van projecten waarbij de wens ‘goed te doen’ effectieve en gelijkwaardige samenwerking in de weg staat. Haar voorbeelden komen niet uit de lucht vallen. Het cruciale punt is dat de sector zich hier heel bewust van is. Hij maakt actief werk van ‘lokalisatie’: het verschuiven van de macht van westerse donoren naar de lokale (Afrikaanse) mensen en organisaties. Dit is zelfs zo belangrijk, dat het nu een kerndoel is van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Het uit handen geven van de controle aan lokale gemeenschappen gebeurt steeds meer, die ontwikkeling wordt sectorbreed gesteund. Dankzij ‘lokalisatie’ gaan de lokale gemeenschappen zelf over hun ontwikkeling, en sluit het aanbod beter aan bij de vraag. Een mooi voorbeeld is het Benkadi-project van stichting Woord en Daad. Dit is exemplarisch voor ‘lokalisatie’ omdat vanaf de start is gekozen het leiderschap bij de lokale partners te laten. Onder het credo ‘Samenwerken in dezelfde richting’ worden de kracht, cultuur en creativiteit van de lokale gemeenschap optimaal uitgedaagd en benut. Inwoners zijn betrokken bij de beleidsvorming, planning en uitvoering van het project. De geldstromen worden door de lokale partners beheerd. Vraag en aanbod komen zo samen. Daarnaast werkt Dorcas in de verschillende landenkantoren vrijwel uitsluitend met lokale medewerkers, inclusief de directie. Hierdoor komen nagenoeg alle ideeën en initiatieven voor projecten uit de lokale gemeenschap. Daarbij zijn veel van onze organisaties relatief klein, met eigen partners in Afrika. Die zijn Afrikaans en leven en werken zelf in de haarvaten van de Afrikaanse samenleving. Tot slot wordt veel gewerkt met kerkelijke hulporganisaties die verbonden zijn aan lokale partnerkerken. Dit type organisaties vormen zelf de haarvaten van die samenleving.

zelf leren

Naast deze ontwikkeling zijn al onze organisaties al jaren bezig met het ontwikkelen van betrouwbare evaluaties van projecten. Niet alleen om kritisch te zijn naar de partners maar ook om zelf te leren en het werk te verantwoorden naar de achterban en de donoren die dit mogelijk maken. Bij het opzetten van projecten wordt eerst nagedacht hoe de resultaten op een betrouwbare manier gemeten kunnen worden. Daarnaast wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van externe evaluaties, zoals bij het hierboven genoemde voorbeeld van Red een Kind. Dankzij deze (externe) evaluaties kunnen organisaties hun eigen meerwaarde aantonen en leren van gemaakte fouten. Dit helpt bij het voorkomen dat projecten eindigen als ‘witte olifanten’.

Soms leveren projecten niet het gewenste resultaat op. In dat geval is het essentieel eerlijk in de spiegel te kijken en te analyseren hoe het aanbod beter kan aansluiten op de vraag vanuit de lokale gemeenschap. De sector zit momenteel middenin deze ontwikkeling. Niet voor niets is ‘Shift the Power’ (verplaats de macht) een veelgehoord credo. Ons pleidooi is om dit te stimuleren en te ondersteunen, want wij willen werken aan een rechtvaardigere wereld met oog voor de kwetsbare medemens. Een toekomst zonder ‘witte olifanten’ is iets dat we allemaal nastreven.

Het artikel in PDF.