Balanceren tussen Nederlandse belangen en internationale verantwoordelijkheden

Afgelopen vrijdag 24 juni presenteerde minister Schreinemacher van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking haar nieuwe beleidsnota ‘Doen waar Nederland goed in is’. Hierin worden de plannen voor de komende beleidsperiode geschetst. Nederland intensiveert de komende jaren haar steun voor arme landen om de grondoorzaken van onder andere armoede, klimaatverandering, honger en conflict aan te pakken en de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) te bereiken. Extra budget komt vrij voor klimaat en noodhulp, een zeer belangrijke en terechte ontwikkeling. In de nota wordt tevens expliciet waardering uitgesproken voor Nederlandse ontwikkelingsorganisaties, die een grote bijdrage leveren aan het bevorderen van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden. Maar het is in de nota ook balanceren tussen Nederlandse belangen en internationale verantwoordelijkheden.

 

Continuïteit

Als we kijken naar het hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking zien we over het algemeen een voortzetting van het huidige beleid. Te denken valt aan de inzet op de versterking van de positie van vrouwen en meisjes, toegang tot werk en beroepsonderwijs voor jongeren en de inzet op thema’s zoals water en voedselzekerheid. Wat Prisma betreft is de continuïteit en focus in beleid een goede zaak als het gaat om duurzame ontwikkeling.

Maatschappelijk middenveld

Het is mooi dat de Nederlandse overheid in de nota aangeeft trots te zijn op de strategische samenwerking met maatschappelijke organisaties en dat nut en noodzaak van gelijkwaardige samenwerking met internationale partnerorganisaties in de nota wordt erkend en uitgesproken. Een groot aantal Prismaleden is betrokken bij de Power of Voices Partnerschappen, onder andere op het gebied van klimaatweerbaarheid voor de allerarmsten, het tegengaan van ondervoeding, het bevorderen van inclusie van mensen met een beperking en het bevorderen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

In de nota wordt het belang van het maatschappelijk middenveld meermaals onderstreept. Ook de rol van religieuze actoren en faith-based organisaties binnen het maatschappelijk middenveld wordt onderkend. Een goede zaak aangezien zij een belangrijke rol vervullen in het bevorderen van duurzame ontwikkeling. Zij zitten veelal in de haarvaten van een samenleving en zijn dus essentieel om de samenwerking mee op te zoeken.

Religieuze actoren

Prisma heeft regelmatig aandacht gevraagd voor belang van samenwerken met religieuze actoren. Uit onderzoek blijkt dat 84 procent van de wereldbevolking zich als gelovig identificeert. Het is voor velen de bron van waaruit men leeft en handelt. Ook met het oog op de beleidsprioriteiten die de minister stelt speelt religie een grote rol. Te denken valt aan thema’s als klimaat, het tegengaan van conflict en het bevorderen van gendergelijkheid. Recentelijk onderzoek van onafhankelijk onderzoeksbureau The Broker, uitgevoerd in opdracht van Prisma en aantal van haar leden, onderstreept het belang van samenwerken met faith-based organisaties voor duurzame ontwikkeling. Prisma moedigt de minister daarom aan om blijvend aandacht te hebben voor de rol van religie bij ontwikkelingssamenwerking. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een eigen BHOS-visie op dit onderwerp, het creëren van een religie-taskforce op haar ministerie en het stimuleren van een open dialoog tussen verschillende stakeholders, juist om religieuze geletterdheid te bevorderen en bij te dragen aan unieke en impactvolle(re) samenwerkingen.

Balanceren

Verder signaleren wij dat het in de nota balanceren is tussen de internationale handelsagenda en het solidair zijn met de meest kwetsbaren in deze wereld. Met name als het gaat over de combinatie tussen hulp en handel. Er moet voor worden gewaakt dat internationale solidariteit zogenoemde ‘gebonden hulp’ wordt. Daarvan zou sprake zijn als bij de besteding van ODA-middelen gestuurd wordt op besteding via Nederlandse bedrijven. Dit staat op gespannen voet met het streven naar gelijkwaardige partnerschappen. Bovendien roept SDG-agenda, waarin het ‘leave no one behind’ principe centraal staat, op tot solidariteit als uitgangspunt van internationale samenwerking. Juist investeren in kansengelijkheid en het wegnemen van barrières voor gemarginaliseerde groepen zorgt voor duurzame en stabiele ontwikkeling. Deze mensgerichte ontwikkelingsimpact mag bij de besteding van ODA-middelen niet ondergeschikt raken aan handelsbelangen.

Inclusief beleid

De wereld staat voor grote uitdagingen en de COVID-19 pandemie heeft veel vooruitgang, bijvoorbeeld in armoedebestrijding, onder druk gezet. Dat wordt door de meest kwetsbaren zoals kinderen, mensen met een beperking en ouderen aan den lijve ondervonden. Speciale aandacht is er in de nota voor de positie van vrouwen en het faciliteren van de positieve rol die zij spelen in ontwikkeling. Prisma pleit met haar leden voor een meer intersectionele inclusie-aanpak in beleid en programma’s, zodat degenen die de meeste uitsluiting ervaren op basis van bijvoorbeeld leeftijd (kinderen en ouderen), handicap, etnische achtergrond, religie, vluchtelingenstatus, goede ontwikkelingskansen en toegang tot (nood-)hulp krijgen. Om te voorkomen dat kwetsbare doelgroepen over het hoofd worden gezien is er een meer uitgewerkte beleidsvisie nodig.

Humanitaire hulp

Het is positief dat het kabinet zich voor langere termijn wil committeren aan het werken in de meest fragiele landen, zo is de kans op vooruitgang het grootst. Ook maakt het kabinet vanaf 2023 structureel 150 miljoen euro extra beschikbaar voor humanitaire hulp. We blijven monitoren of dit gezien de geopolitieke verschuivingen en de gevolgen voor de meest kwetsbaren voldoende is en hoe deze middelen worden aangewend. Het is nu nog onduidelijk hoe het budget voor noodhulp verdeeld wordt. Prisma pleit voor steun via maatschappelijke organisaties, zoals bijvoorbeeld de DRA. Voor duurzaamheid en relevantie van de hulp hebben maatschappelijke lokale organisaties de sleutelrol.

Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO)

De passage over IMVO roept vragen op. De minister zegt te streven naar “nationale wetgeving die rekening houdt met de omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.” Hier spreekt vanuit het kabinet geen ambitie uit om in Europees verband de toon te zetten en koploper te worden. In plaats van het Europese ambitieniveau op basis van de OESO-richtlijnen wat omhoog te trekken, dreigt het tempo van nationale wetgeving nu bepaald te worden door achterblijvende landen binnen de Unie. Bedrijven die op vrijwillige basis kiezen voor hoge IMVO-standaarden laten we daarmee bovendien in de steek. Zij ondervinden momenteel een prijstechnisch nadeel ten opzichte van concurrenten die de externe effecten van hun productie afwentelen op mens en milieu in lage- en lage-middeninkomenslanden.

Oproep

We staan zowel nationaal als internationaal voor grote uitdagingen. De titel van de beleidsnota ‘’Doen waar Nederland goed in is’’ suggereert een grote mate van maakbaarheid. Dat kansen en win-win situaties gecreëerd kunnen worden. Als Prisma pleiten we ervoor om te werken aan gelijkwaardige partnerschappen waarbij expertise die beschikbaar is, wordt afgestemd op de vraag ‘hoe komt dat ten goede aan de verbetering van de positie van armere en kwetsbare groepen’.

Het Kabinet heeft zich in het regeerakkoord de opdracht ‘’omzien naar elkaar en vooruitkijken naar de toekomst’’ meegegeven. Deze ambitie had wat Prisma betreft best nog wat steviger aangezet mogen worden in de nieuwe BHOS-beleidsnota. We roepen Kamerleden dan ook op om minister Schreinemacher tijdens het debat over de beleidsnota op 4 juli aanstaande in deze geest te bevragen, de stem te zijn van hen die niet voor zichzelf kunnen opkomen en erop toe te zien dat niet alleen het aanbod, maar juist ook de behoefte en vraag van de ander leidend zal zijn, zodat de impact van het beleid kan worden vergroot.